Koperen Passer Tienen

Club V-9

Groep Hof ter Rode



Pierre

 

 

LEUVEN: GEESTELIJK EN WERELDLIJK!

Verslag Leuven (15 december 2017)

Dat onze Passers uit het goede hout gesneden zijn, hebben ze nog maar eens bewezen! Door een onverwachte samenloop van omstandigheden (Murphy is blijkbaar nog niet dood!) kon geen beroep gedaan worden op onze vertrouwde, privé-verplaatsingsdienst, maar een paar noodkreten van het bestuur volstonden om de 20 deelnemers in comfortabele omstandigheden met de hulp van enkele gelegenheidschauffeurs ongehavend ter plaatse te brengen. Met tranen in hun ogen moesten er zelfs enkele enthousiastelingen “van goeden wille” geweigerd worden! Bedankt allemaal, effectieven en reservisten, jullie leverden een mooi staaltje van clubgeest!

Met slechts een klein beetje ‘retard’ (iemand was niet ingelicht dat de Geldenaakse Baan afgesloten was voor alle verkeer!) kon Bernadette (Geutjens), de geheime favoriete van Etienne, en voor één keer onze spirituele gastvrouw voor een paar uur, aan haar geestelijke rondgang beginnen. Dat de groep vooraf in tweeën kon, bevorderde alleen de optimaliteit van het bezoek.

Abdij van Park, een twaalfde-eeuwse norbertijnerabdij, is een van de best bewaarde abdijcomplexen in Europa. Volgens Peter Van Lishout, onze namiddaggids in de universiteitsbibliotheek, is dit te wijten aan het  feit dat er hier nooit een “hiaat” geweest is in de opvolging van de generaties kloosterlingen, en dus ook niet in beheer en onderhoud van de gebouwen.

In “PARCUM”, zo werden de voormalige ontvangstruimtes van de abt, het vroegere spreekhuis en de zolderverdieping van de pas gerestaureerde westvleugel van de Leuvense Abdij van Park “gedoopt”, loopt nog tot eind februari de tentoonstelling met de dubbelzinnige naam (letterlijk!): “Van de wereld”. “Van” kan hier betekenen  “afgezonderd, weg, los van…”: kluizenaars, heremieten, bruiden van Jezus, besloten kloostergemeenschappen.… “Van de wereld” wil echter ook zeggen “toebehorend aan”: in gebed en  bezinning zoeken zij een gans andere weg, van deze wereld naar een andere: die naar God.  De ondertitel van deze tentoonstelling luidt dan ook heel betekenisvol:  “Beelden van beslotenheid en bevrijding”.

Verspreid  over zeven zalen, van elkaar gescheiden met doeken opgespannen in houten kaders, getuigen niet alleen schitterende, nooit eerder tentoongestelde kunstschatten uit kerken, kloosters en abdijen, maar ook werk van moderne kunstenaars van die zoektocht. PARCUM wil dan ook in de eerste plaats een “dialoogmuseum” zijn. De eerstkomende jaren brengt Parcum slechts wisselende thematentoonstellingen met als gemeenschappelijke noemer religie, kunst en cultuur. Wanneer later een volgende gerestaureerde vleugel in gebruik wordt genomen, volgt een permanente collectie.

Vooraleer we aan de rondgang door de tentoonstelling begonnen, kregen we van Bernadette kort nog wat informatie over de geschiedenis van de abdij. Zo leerden we dat ene Godfried met de Baard, graaf van Leuven, de gronden van zijn jachtpark -om en bij de 400 ha- ter beschikking stelde, waarop dan op zijn verzoek in 1129 de abdij werd opgericht door de norbertijnen. Doorheen de geschiedenis onderging de abdij verschillende verbouwingen en werd ze bij de Franse Revolutie een korte tijd gesloten. De kanunniken moesten de abdij verlaten, maar slaagden erin om een groot gedeelte van de kunstcollecties, het archief en boeken in veiligheid te brengen. Toch gaat de abdij vrij snel weer open, maar dan als parochiekerk, want dat mocht dan weer wel van de “fransaards”! Thans is alles in handen van de stad Leuven die het voor 99 jaar in erfpacht kreeg. Een 5-tal jonge prelaten van de abdij van Averbode leven en werken er nog.

Ons bezoek bestond eigenlijk uit twee delen: de tentoonstelling en de abdij.

Doorheen zeven thema’s gingen we eerst op bezoek in de wereld van kloosterlingen, kluizenaars en heremieten! Uit de waterval van informatie die Bernadette over ons liet “neerdalen”, onthouden we dat deze tentoonstelling de confrontatie aangaat tussen “oud” en “nieuw”, prachtig beeldmateriaal (schilderijen, beelden, manuscripten…) van vroegere meesters tegenover hedendaagse kunstenaars. Daarbij horen o.m. werk van Marlene Dumas , Ann Veronica Janssens (herinner u de voorstelling met de lichtflitsen achter het gordijntje op zolder!), Gustave Van de Woestyne met zijn “Christus in de woestijn” .

Eén van de eerste zalen leidde ons terug naar de prilste vormen van afgezonderd leven in de christelijke traditie, toen monniken zich als kluizenaars terugtrokken in de woestijn. Het leven  van een woestijnmonnik was eenzaam, hard en gevaarlijk. De mens is echter een sociaal wezen. Vanuit die behoefte ontstond het kloosterwezen. Benedictus van Nursia stelde een kloosterregel op die vele eeuwen de standaardregel zou vormen voor het kloosterleven. Door de eeuwen heen zijn dan verschillende kloosterorden ontstaan, elk met hun eigen spirituele beleving en houding.

Enkele markante beelden illustreren deze periode: “De verzoekingen van de H. Antonius”; “Johannes de Doper als heremiet”;  “H. Hiëronymus in zijn werkkamer”; een mooi beeld van “St.-Martinus en de bedelaar”. Opvallend en ook wel een beetje grappig was de schaar voor tonsuur .  Een schitterend “Kaartboek Abdij van Park” in het midden van de zaal kon op heel wat bewonderende belangstelling rekenen!

Een ander thema belicht de ‘beslotenheid’ in vrouwelijke religieuze kringen. Hier ontwikkelde zich immers een geheel eigen mystieke beleving en iconografie, gebaseerd op het “Hooglied”. Deze Bijbelse tekst werd verklaard als een allegorie voor de mystieke liefde tussen Christus en zijn bruid. Vrouwelijke religieuzen streefden naar eenzelfde verbintenis met Christus zoals beschreven in het “Hooglied van Salomo”. Bernadette citeerde hier ook een mooie tekst uit dat “Hooglied” . De tentoonstelling toont talrijke voorwerpen die getuigen van dit leven  in beslotenheid, zo o.m. “Maria met Kind in besloten hof”, “Jezus nodigt een begijn ten hove uit”, de “Kledij voor de jonge bruid van Christus”,  de “Ringen van zuster Umolda” en vooral de reeks gipsen “Jezuskindjes” die de nieuwelingen cadeau kregen bij hun intrede. Ontroerend ook de mini-begijnenkamertjes die de jonge begijntjes maakten als herinnering voor wie thuis achterbleef .

Vaak komt het verlangen naar boven om deelachtig te worden aan het lijden van Christus en zo dichter bij hem te komen. In talrijke heiligenlevens en legendes komen verwijzingen naar Jezus’ lijden aan bod. Zo ontving de Heilige Elisabeth van Spalbeek in diepe meditatie dezelfde kruiswonden als Christus (stigmata).Een paar schilderijen uit begin 17de  eeuw tonen o.m. : “Catharina van Siëna drinkt bloed uit de zijwonde van Christus”  en “Elisabeth van Spalbeek ontvangt de stigmata”.

Onze streken kenden een eigen traditie van afgezonderd religieus leven. Een van de zalen belichaamt het fenomeen van woudvrouwen een stadskluizenaressen.

Als we alle legendes zouden mogen geloven, wemelde het ooit in onze bossen van zogenaamde woudvrouwen, vrouwen die volgens hun legende de toorn van hun vader en minnaar ontvluchtten en zich diep in het woud aan een christelijk leven wijdden. De legendes van woudvrouwen liggen dikwijls aan de basis van de groei en bloei van heel wat christelijke parochies in Vlaanderen. In de tentoonstelling komen onder meer de Heilige Alena van Vorst, de Heilige Dymphna van Geel en de Heilige Odrada van Balen aan bod.

Stadskluizenaressen profileerden zich als onafhankelijke raadgevers en bemiddelaars in naam van Maria. “Van de wereld” toont o.a. een verzameling relicten van de H. Coleta. Zij liet zich inmetselen in een kluis. Langs een raam in haar kluis sprak ze de gelovigen toe die haar advies kwamen vragen; ze legde hun preken uit en onderwees hen uit de Bijbel. Een houten schuifraam (hier tentoongesteld) gaf haar uitzicht op het altaar. De voorwerpen van de H. Coleta worden vandaag als reliek vereerd in het klooster van de Clarissen in Gent en werden uitzonderlijk in bruikleen gegeven voor deze tentoonstelling. Mooi is ook het beeld van “Sint-Anna-ten-drieën”.
Voorbij al dat moois -in de overvloed van het aanbod zijn we nog heel wat onschatbaar materiaal uit onze herinnering kwijt geraakt!- eindigden we op zolder waar, onder de indrukwekkende houten gebinten, Ann Veronica Janssens de hoofdrol toebedeeld krijgt (zie voetnoot 3).

Toegegeven, het was vrij zware kost, niet alleen qua inhoud, maar ook door de overvloed aan informatie, feiten en verhalen waarmee Bernadette ons overspoelde. Gelukkig kon het vervolgverhaal met de rondgang in de abdij -of tenminste wat nog niet door restauratiewerken voor bezoek afgesloten was- de vermoeide geesten wat ontspannen. Ik kan hier gemakshalve verwijzen naar de mooie foto’s van Pol (waarvoor onze gezegende dank!).

Een paar kanttekeningen wil ik er wel bij maken.

Het Pandhof: het klooster werd volgens de traditie gebouwd rond een open vierkante ruimte. Het werd omringd door vier pandgangen waarop alle belangrijke onderdelen van het klooster uitkwamen. In die pandgangen bevonden zich ook de prachtige glasramen die het leven van de H. Norbertus uitbeelden. Die glasramen, 41 in totaal, raakten bij de Franse Revolutie verspreid over de hele wereld, maar men kon de meeste lokaliseren en door schenkingen, aankoop of allerlei acties raakten de meeste weer waar ze thuishoren. Ook de geschilderde portretten van alle abten van Park hangen in een van de pandgangen. De laatste in de rij was ene Mathias Roggen, volgens Bernadette iemand met heel moderne opvattingen!

De Kapittelzaal dateert uit de 16de eeuw en is een van de belangrijkste plaatsen in de abdij. Hier werden door de kanunniken belangrijke beslissingen genomen, zoals het verkiezen van een nieuwe abt na het overlijden van de vorige. Vandaar ook de uitdrukking “een stem in het kapittel hebben”. “Stoute” religieuzen werden hier ook “gekapitteld” (iemand kapittelen)! Vroeger werden de overleden abten bijgezet in de kapittelzaal: de sterk verweerde grafplaat vlak voor de enorme zuil is nog een overgebleven getuige daarvan. Grote doeken herinneren aan episodes uit het leven van de H. Norbertus. Tijdens restauratiewerken werden die doeken verplaatst en kwamen er gotische nissen tevoorschijn. Door deze openingen konden de broeders van op de gang de gesprekken in het kapittel volgen. Boven de toegangsdeur prijkt ook de leuze van de abdij: “Ne quid nimis” (“Niets teveel”).

Een beetje jammer dat er wegens restauratiewerken nog interessante delen van de abdij (bibliotheek, refter..) afgesloten zijn voor het publiek! Mogelijkheden voor een volgend bezoek als?...

Eén gebouw mochten we wel nog bezoeken: de voormalige watergraanmolen rechts naast de Sint-Janspoort aan de oever van de Molenbeek. Hier maalden de norbertijnen hun tarwe, gerst en rogge nog tot in 1963 en elke derde zondag van de maand geeft een vrijwillige molenaar nog een maaldemonstratie. De reden van ons bezoek was echter van culinaire aard, want thans is de molen omgetoverd tot een sfeervolle brasserie, deel uitmakend van de befaamde “Lodge Group”. Dat was onze voorzitter niet ontgaan, natuurlijk, en dus reserveerde hij daar voor ons een kir met een klein wachthapje, tomatensoep met gesnipperde basilicum, een overheerlijk, perfect gegrild varkenshaasje met mosterdroom, in spek gewikkelde boontjes en kroketjes, een koppel glazen wijn of water voor de liefhebbers, waarna nog koffie met wat snoepjes de gaatjes kwam vullen. Of het in de smaak viel? Nu en of! Zodanig zelfs dat enkele “zangers” van puur genot tot een ware -het dient toegegeven geslaagde-  cantus overgingen die de halve molen in rep en roer zette, zodanig zelfs dat de patron tot enige gematigdheid moest aanmanen om het aantal decibels tot aanvaardbare proporties te laten dalen!!! Het was lekker, de sfeer zat goed, maar we moesten helaas weg uit dit “geestelijk” oord, want hogere regionen, zijnde de universiteitsbibliotheek en haar toren, wachtten op ons.

Een weerspannige gids liet ons daar echter op onze honger zitten, zodat in allerijl een vervanger moest opgetrommeld worden! In afwachting dat die brave ziel zich vanuit Bertem bij ons had gevoegd, mochten wij al “naar boven” en hoewel  wij ons bezoek deels in omgekeerde richting aflegden, zullen we toch maar de logica volgen en beginnen bij het begin om vijf verdiepingen en 289 treden hoger te eindigen op 70 m boven het Ladeuzeplein!

Verspreid over die vijf verdiepingen maken we kennis met de woelige geschiedenis van de Leuvense bibliotheek. Zo werd ze platgebrand door Duitse troepen in 1914, toen ze zich nog in de Universiteitshallen op de Naamsestraat bevond. 300.000 boeken gingen in de vlammen op. Met Amerikaanse hulp werd ze vanaf 1921 heropgebouwd op het Ladeuzeplein. In 1940 werd de nieuwe bibliotheek echter opnieuw door een brand geteisterd; nog eens 900.000 boekdelen in rook! Gelukkig werd ze ook nu weer in volle glorie hersteld. Thans bevat ze ca 1,5 miljoen boekdelen.

Een fototentoonstelling neemt ons mee naar vijf markante tijdsperiodes. Op verdieping 1 is dat “De brand van Leuven 1914”. Het georganiseerd in brand steken van 1000 huizen in Leuven, het terroriseren van de Leuvense burgerbevolking, 200 moedwillig gedode burgers… Dat unieke stukken opzettelijk in brand werden gestoken, blijft onbegrijpelijk. Verdieping 2  heeft dan aandacht voor internationale solidariteit met steuncomités in 25 landen. Verdieping 3 belicht de wederopbouw met Amerikaans geld. Verdieping 4 - met hier ook een afbeelding van “Onze-Lieve-Vrouw van de Zegepraal, de beruchte gehelmde madonna die met een zwaard de kop van een Pruisische arend doorboort-  gaat over de tweede brand van de bibliotheek in 1940, terwijl op verdieping 5 de vredesbeiaard centraal staat. Amerikaanse ingenieurs schonken hem als herinnering aan hun gesneuvelde collega’s in WO I. Met zijn 48 klokken symboliseert hij de 48 staten van de toenmalige VSA. Tijdens onze klim naar boven, hadden we het “genoegen” de basklok (zeven ton!), de zogenaamde Liberty Bell, aan het werk te horen! Laten we stellen dat het resultaat “oorverdovend” klonk!!! Op de rondgang na de hoogste verdieping bereikten we het balkon vanwaar we nog een uniek panoramisch uitzicht kregen over Leuven en de wijde omgeving. Het Ladeuzeplein met zijn reuzenrad en zijn kerstmarkt leek van op 70 meter hoogte zo weggeplukt uit Lilliputterland!  
De weg naar beneden over de fraaie draaitrap verliep heel wat vlotter, met veel minder  gepuf en gezucht!  Daar mochten we van Peter nog wat rondstruinen in en rond de bibliotheek zelf. Pittige anekdote bij het borstbeeld van H. Hoover bovenaan de grote traphal: toen Amerikanen hier op bezoek de afbeelding van Hoover opmerkten, stonden zij stomverbaasd dat de man hier zo geëerd wordt, terwijl hij in Amerika toch afgedaan wordt (het kostte hem zelfs een tweede ambtstermijn als president!) als zijnde verantwoordelijk voor de zware economische crisis, de Grote Depressie! Bij ons was -en is- men dan weer dankbaar voor zijn persoonlijke inzet en fortuin voor de wederopbouw van de bibliotheek.

Indrukwekkend en echt een pronkstuk is de lange eiken leeszaal. De roodkoperen Sedes Sapientiae boven de ingang is gemaakt met Congolees koper, wat Peter de toch wel grappige opmerking ontlokte: wij zamelden voor hen zilverpapier in en zij zonden ons koper in de plaats!

Wat mij persoonlijk ontroerde waren de verkoolde fragmenten van handschriften en boeken opgeborgen in glazen kistjes, “als Sneeuwwitje in haar kist”!

*****

Als we de zware eiken deur van de leeszaal zachtjes achter ons dichttrekken om de studerenden niet te storen, is het tijd om de Tiense contreien weer op te zoeken. De afspraak in het Theatercafé kon slechts op enkele diehards rekenen! Vermoeidheid of fileleed?

Tot in “Aantwaarpe” dan maar!

Pierre

 

 

 

Foto